Door Eric van Dusseldorp
Begin jaren zeventig verscheen er een liedje van Ralph McTell in de internationale hitparades. Het nummer ging niet over de ‘winnaars’ in de samenleving: “She was the dancing queen, young and sweet, only seventeen” – nee, zo’n liedje was het dus niet. Het ging over de verliezers. Geen populaire groep natuurlijk, men wil met deze mensen niet gezien, laat staan geassocieerd worden.
In het begin van zijn muzikale loopbaan was McTell straatmuzikant in Londen en Parijs en wat hij om zich heen zag, vormde de inspiratie voor zijn monumentale ‘Streets of London’, een liedje over mensen in de grote stad die helemaal niets meer hebben en met hun ziel onder de arm doelloos rondbanjeren in de metropool.
Het wordt vást een hit!
Aanvankelijk was de Brit niet van plan om zijn liedje zelfs maar op elpee (zo heette dat toen) te zetten, beducht als hij was dat het mistroostige thema de verkoopcijfers nadelig zouden beïnvloeden. Totdat een vriend hem toefluisterde: “Hé Ralph, je moet het juist wel opnemen en zelfs op single. Het wordt vást een hit!”
En aldus geschiedde. “Streets of London” bereikte de tweede plaats in de Engelse hitparade. Dat was in 1974, terwijl het lied al twee jaar eerder(!) een toptiennotering had in de meeste andere Europese landen, zoals Nederland. Het bijbehorende filmpje was nog deprimerender dan het liedje zelf, maar de beelden maakten indruk en het nummer werd ook mede daardoor een succes. En zo werd een bijna weggegooid liedje een tophit en een absolute klassieker.
Streets of London
In “Streets of London” zeurde zijn vriendin (of iemand anders, de tekst geeft geen uitsluitsel) dat ze zich zo eenzaam voelde en dat de zon voor haar niet leek te schijnen. Waarop Ralph riposteerde:
Let me take you by the hand
And lead you through the streets of London
Show you something to make you change your mind

Vertaald:
Laat me je bij de hand nemen
En je door de straten van Londen leiden
Je iets laten zien waardoor je van gedachten verandert
Slapend met plastic bekertje
Op een avond liep ik op de stoep van de Jomtien Second Road en ik zag daar een vrouw slapen op een kleedje met in haar hand een plastic bekertje waar voorbijgangers een paar bahtjes in konden stoppen. Meteen dacht ik aan Ralph McTell’s Streets of London. Ook in Thailand gaat het om een typisch stadstafereel, met dit verschil dat zwervers en andere lavelozen in Europese steden vaak gewoon de weg kwijt zijn. Maar in Thailand hebben mensen die niets hebben, echt ook helemaal niets. Geen sociaal stelsel waar ze op terug kunnen vallen, maar ook geen vrienden, familie… helemaal niets en niemand.
Wat moet je ermee, als je er als farang langsloopt. Je kunt niet blijven geven en soms passeer ik gewoon. Mijn vriendin, die Thaise is, vindt dat er toch wel 20 baht of zo afkan. Hoeft niet meer te zijn. Als ik stop, wat ik dus niet altijd doe, dan geef ik gelijk maar 50 baht. “Zoveel hoeft nou ook weer niet”, vindt ze. Nou ja, als ik die zwerver de volgende dag weer tegenkom, dan sla ik even over.
Farang ting-tong mâak mâak?
Bij deze vrouw deed ik 100 baht in het plastic bekertje. Met als kleine tegenprestatie een foto – met uiteindelijk een balkje voor haar ogen. Wat zou ze gedacht hebben toen ze na het wakker worden een biljet van 100 baht aantrof in het bekertje? “Rói baht? Farang ting-tong mâak mâak?”
